Informatie die je verder helpt bij erfgoedvragen

Kennisbank

Voor veel erfgoedvragen is er kennis beschikbaar. Hieronder vind je een overzicht met handreikingen, stappenplannen, webinars en links naar relevante artikelen. Gebruik ze als naslagwerk of om direct mee aan de slag te gaan.

De Omgevingswet vraagt om integrale samenwerking binnen de gemeentelijke organisatie. Erfgoed moet vroegtijdig aan tafel zitten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dat geldt niet alleen voor monumenten, maar ook voor archeologie en cultuurlandschap. Een goede interne afstemming helpt om erfgoedbelangen tijdig mee te wegen en voorkomt vertraging in latere fasen.

Het Steunpunt kan gemeenten hierbij ondersteunen via de Erfgoedwerkplaats. In deze werksessie verkennen we samen hoe erfgoed binnen de organisatie is belegd, waar kansen liggen voor betere samenwerking en hoe erfgoed een vaste plek kan krijgen in planvorming en besluitvorming aan de hand van een concrete opgave.

Gemeenten moeten hun erfgoedregels opnemen in het omgevingsplan. Dat betreft onder andere:

  • Regels voor gemeentelijke monumenten

  • Archeologische waarden en vrijstellingsgrenzen

  • Beschermde stads- en dorpsgezichten

  • Bescherming van de omgeving van monumenten

Het zorgvuldig formuleren van begrippen is daarbij van groot belang. Eenduidige terminologie voorkomt interpretatieverschillen en ondersteunt een goede werking van het Digitaal Stelsel Omgevingswet.

Als vergunningverlener heb je een belangrijke rol. Jij regisseert het hele proces. Je communiceert met de initiatiefnemers. Je bepaalt welke procedure nodig is, en of vooroverleg verstandig is. Je weegt formele adviezen en bepaalt of er wel of geen vergunning komt.

Gemeentelijk advies

Bij wijziging van monumenten moet je als vergunning- verlener advies vragen aan een onafhankelijke commissie. Onder de Omgevingswet is dit de gemeentelijke adviescommissie (GAC) - voorheen de welstands- en/of monumentencommissie. Zij adviseert over alle monumentenaanvragen, en brengt formeel advies uit aan het college van B&W.

Adviesplicht van rijk & provincie

Naast het advies van de GAC zijn er aanvragen waar-voor je nog twee adviezen nodig hebt. Bij herbestemming, ingrijpende wijzigingen, reconstructie en/of sloop is een formeel advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) nodig.

Staat het rijksmonument buiten de bebouwde kom? Dan brengt ook de provinciaal adviseur een advies uit. In het steunpuntspreekuur is er vooroverleg mogelijk met rijk en provincie.

Er zijn verschillende regelingen voor onderhoud, restauratie, verduurzaming en/of herbestemming van monumenten. Dat zijn veelal subsidieregelingen, maar er zijn ook mogelijkheden voor leningen. Sommige regelingen zijn alleen van toepassing op rijksmonumenten, andere gelden (ook) voor gemeentelijke monumenten en cultuurhistorisch waardevolle of beeldbepalende panden. 

Op de websites van de Provincie Overijssel, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, het Nationaal Restauratiefonds en websites van gemeenten is veel informatie te vinden over al die regelingen. Op onderstaande website is veel van die informatie gebundeld en kan er via links doorgeklikt worden. Voor vragen kunt u uiteraard ook contact opnemen met de adviseurs van het Steunpunt.

Wanneer archeologisch onderzoek nodig is in het kader van ruimtelijke ontwikkeling, bijvoorbeeld bij bouwplannen of infrastructurele werkzaamheden, wordt dit uitgevoerd volgens de vaste stappen van de AMZ-cyclus (Archeologische Monumentenzorg). Deze werkwijze is vastgelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).

Doel van archeologisch onderzoek

Het doel van archeologisch onderzoek is om vast te stellen of er archeologische resten aanwezig zijn, wat de aard daarvan is en of deze behoudenswaardig zijn. De cyclus start met het inventariseren van mogelijke archeologische waarden.

Bureauonderzoek als eerste stap

Het onderzoek begint altijd met bureauonderzoek. Daarbij wordt gebruikgemaakt van bestaande informatie, zoals eerder uitgevoerd onderzoek, bodemgegevens, landschappelijke ligging en bekende verstoringen. Op basis daarvan wordt per periode een archeologische verwachting opgesteld.

Wanneer vervolgonderzoek nodig is

Blijkt uit het bureauonderzoek dat de bodem recent sterk is verstoord en de kans op archeologische resten laag is, dan is vervolgonderzoek niet nodig. Is de verwachting middelhoog of hoog, dan volgt inventariserend veldonderzoek.

Inventariserend veldonderzoek met boringen

Inventariserend veldonderzoek wordt vaak eerst uitgevoerd door middel van grondboringen. Boringen worden gebruikt om de archeologische verwachting te toetsen en te verfijnen. Ze geven inzicht in de mate van bodemverstoring en in de landschappelijke opbouw, zoals het verschil tussen natte en droge omstandigheden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen inventariserend, karterend en waarderend booronderzoek.

Proefsleuvenonderzoek

Naast booronderzoek kan ook proefsleuvenonderzoek plaatsvinden. Hierbij worden op steekproefbasis sleuven of putten gegraven om vast te stellen of archeologische resten aanwezig zijn en om te bepalen om wat voor type vindplaats het gaat. De resten worden onderzocht tot het niveau waarop voldoende duidelijkheid is verkregen.

Waardering en selectiebesluit

Op basis van het inventariserend veldonderzoek wordt een waardering opgesteld. Het bevoegd gezag neemt vervolgens een selectiebesluit. Hierin wordt bepaald of het plangebied kan worden vrijgegeven voor de geplande werkzaamheden of dat sprake is van een behoudenswaardige vindplaats.

Behoud in situ of ex situ

Wanneer een behoudenswaardige vindplaats aanwezig is, gaat de voorkeur uit naar behoud in situ, waarbij de vindplaats in de bodem behouden blijft. Is dit niet mogelijk, bijvoorbeeld vanwege de aard van het project, dan kan worden gekozen voor behoud ex situ. Hierbij wordt de vindplaats opgegraven, gedocumenteerd en worden de vondsten ondergebracht in een provinciaal of gemeentelijk depot. Omdat bij opgraving altijd informatie verloren gaat, heeft behoud in situ de voorkeur.

Afronding van het onderzoek

Alle archeologische onderzoeken moeten binnen twee jaar worden afgerond en gerapporteerd. Ook moeten de vondsten en het rapport in het depot zijn opgenomen. Met deze deponering is het onderzoek formeel afgerond en is de AMZ-cyclus voltooid.

Gemeenten zijn in Nederland verantwoordelijk voor het archeologisch erfgoed dat zich in de bodem bevindt. Om deze verantwoordelijkheid goed uit te voeren, stellen zij beleid en regels op waarin is vastgelegd hoe wordt omgegaan met archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen en bodemverstoringen.

Archeologische verwachtingskaarten

Als basis voor dit beleid worden archeologische verwachtingskaarten gebruikt. Deze kaarten geven voor het hele gemeentelijke grondgebied een inschatting van de archeologische verwachting. Daarbij wordt gekeken naar factoren zoals bodemopbouw, geomorfologie, bestaande archeologische kennis en het (sub)recente gebruik of eerdere bodemverstoringen. Meestal wordt onderscheid gemaakt tussen zones met een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting.

Beleidsregels en vrijstellingsgrenzen

Aan de verwachtingszones zijn beleidsregels gekoppeld. Deze regels bepalen wanneer archeologisch onderzoek verplicht is en wanneer vrijstelling geldt. Zo kan worden vastgelegd dat archeologisch onderzoek volgens de AMZ-cyclus nodig is, tenzij er niet dieper wordt gegraven dan een bepaalde diepte onder het maaiveld en het plangebied kleiner is dan een vastgestelde oppervlakte. De vrijstellingsgrenzen verschillen per verwachtingszone en kunnen regionaal variëren.

Vastlegging in het ruimtelijk plan

De archeologische beleidsregels worden juridisch vastgelegd in het bestemmingsplan of, onder de Omgevingswet, in het omgevingsplan. Vergunningaanvragen en ontwikkelingen worden aan deze regels getoetst.

Landelijke richtlijn bij ontbreken van beleid

Wanneer een gemeente geen specifiek archeologiebeleid heeft vastgesteld, geldt de landelijke richtlijn van het Rijk. In dat geval is archeologisch onderzoek verplicht bij bodemverstoringen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld.